• Margot Van Wauwe

Teruggevonden dagboekfragment, 2009

Ik denk aan de eend die zich onrechtstreek bevindt in het pluimkussen waarop ik mijn hoofd te denken leg. De rok die ik draag is mooi omdat die ooit een echte bloem moet zijn geweest. Bloemen zijn altijd mooi. En als ik moet plassen, omwille van het hele harde lachen dat een mens soms overvalt, dan wordt mijn rok een piesbloem van katoen. In de mooie vrouw die zich zo volwassen en elegant mogelijk gedraagt, bevindt zich nog steeds het fantasierijke kind dat ze ooit was. Zo gaat het met de dingen. Geef ik je een brief, dan geef ik je een boom. Zo’n boom wordt met wat geluk een brief vol lieve woorden, maar wij, wat worden wij? Hoe komen wij terug? Komen wij terug? Sommige wonden willen gewoon het gefluister van een kus. Sommige kussen vragen hele bossen bomen. Sommige kussen komen nooit. Zonde van de tijd, die alles heelt. Zonde van de boom, die alles in zich heeft. Zonde van de mens, die zoveel - maar toch zo weinig - weet.