• © Margot Van Wauwe

Samengekoekt

Telkens wanneer de avond valt, is daar de stilte waarin ik dagen bewaren wil. Ik hou ze vast tot mijn gapen ze vredig heeft weggeblazen. ’t Is niet goed van de onderste bol te willen likken als de bovenste nog niet geheel gesmolten is. Voor ge ’t weet valt de toren in elkaar.

Jammer dat gij de dagen weggooit op een stapelplaats van nooit overwogen dromen. Jammer dat gij alle gedachten mixt tot een kleverige pap, en uzelf tot beton.

Nooit hebt gij uw gekwakkel in de handpalm genomen om het met uw eigen ogen vastberaden aan te kijken. Nooit hebt gij van die palmen een kommeke gemaakt om uw hoofd in te leggen.

Ge kunt niet verwachten dat zorgen verdwijnen als ge ze nooit hebt laten sudderen op uw slapen.

Gij zijt daar te fier voor en uw wenkbrauwen zitten te hoog. Uw leugens zijn nog sterker dan het geweten dat gij alle dagen sust.

Jaren later trekt gij echter die schuif in uw wak gedronken hersenen open en kruipen de doodgezwegen letters als giftige insecten uit uw ogen.

Ge krijgt ze niet meer open want uw wallen, die met de jaren bruiner zijn geworden, lopen over. En de waarheid prikt uw oogleden dik van schaamte. Alsof ge het niet wist; dat hoofden kunnen vol geraken. Het samengekoekt gepieker propte uw oren dicht als hard geworden stinkende kauwgom in een buis van helder glas. Gij zijt doof voor de dingen die het schoonste zingen.